Meteen naar de inhoud

Wat is spelbegeleiding? Beleef avonturen in de kleuterklas!

Heb jij voor het eerst een kleutergroep? Dan is het tijd om te spelen! In dit artikel komt je meer te weten over jouw nieuwe rol als spelbegeleider. Je maakt kennis met het begrip ‘spel’, de ontwikkelingsfasen van spel en op welke manier jij het spel een impuls kunt geven. 

Wat is spel?

Laten we beginnen met de vraag ‘wat is spel?’. Er is namelijk een groot verschil tussen speelse activiteiten en spel. Spel is moeilijk te grijpen in een definitie, maar heeft wel een aantal belangrijke kenmerken.

Het belangrijkste kenmerk van spel is plezier, hierdoor is de betrokkenheid hoog. Een kind speelt om het spelen, hij of zij heeft geen ander doel. Jij kunt natuurlijk wel de doelen in het achterhoofd houden, maar de kinderen hebben dit niet.

Tijdens het spelen zijn kinderen actief bezig met het ontdekken en het eigen maken van de wereld om hen heen, er kan een andere werkelijkheid gecreëerd worden. Hierbij worden eigen regels bedacht waar het spel aan moet voldoen. Bij spel is er veel ruimte voor de ideeën van kinderen.

Tot slot, een belangrijk kenmerk, de deelname aan het spel is vrijwillig. Je kunt een kind verplichten om bij de zandtafel te staan, maar alleen het kind zélf kan kiezen om daadwerkelijk te spelen. 

Hoe verloopt de spelontwikkeling? 

De ontwikkeling van spel verloopt in verschillende fasen. Deze worden door elk kind op eigen tempo doorlopen. Een kind zit niet uitsluitend vast in één fase, hier moet je flexibel naar kijken. De materialen, speelmaatjes en het gevoel van veiligheid hebben allemaal invloed op het spelniveau dat een kind laat zien.

Er is wel een globale verdeling gemaakt van de spelontwikkeling. In deze verdeling zie je op welke leeftijd, kinderen bepaald spel voornamelijk laten zien. Dit kan jou helpen om meer betekenis te geven aan de observaties in jouw kleuterklas.

Baby’tjes beginnen in de fase van manipulatiespel. Gedurende deze spelfase ontdekken en verkennen kinderen welke invloed zij hebben op hun omgeving. Ze ontdekken hun eigen lichaam en bewegingen. Deze vorm van spel is kenmerkend bij materialen zoals zand, water of klei. Manipulatiespel zul je in de kleutergroep dus nog steeds zien als kinderen bijvoorbeeld bij de zandtafel spelen.

Zodra kinderen ontdekken dat zij invloed hebben op materialen, ontstaat combinatiespel. Bij combinatiespel spelen kinderen bijvoorbeeld met twee blokjes die zij tegen elkaar aan tikken. Zij ontdekken dat hun handeling (het tikken) een geluid veroorzaakt.

Als een kind tijdens het spelen een voorwerp gebruikt waarvoor het bedoeld is, noemen we dit functioneel spel. Een kop en schotel gebruik je om thee te drinken en je kunt rijden met een trein. Dit zie je rond het eerste levensjaar ontstaan.

Peuters beginnen vaak met symbolisch spel, wat uiteindelijk overgaat in fantasie- en rollenspel. Tijdens een symbolisch spel kan een stokje bijvoorbeeld een microfoon voorstellen, een hengel of kam. Het voorwerp kan in de fantasiewereld dus een andere functie krijgen.

Als dit symbolische spel zich uitbreidt met een verhaallijn gaat het over naar rollen- en fantasiespel. Deze vorm zie je rond 4 jaar ontstaan en blijft zich verder ontwikkelen. Kinderen spelen in deze fase vaak ‘echte’ situaties uit die zij in de nabije omgeving hebben gezien. Zo verwerken kinderen ervaringen die zij gedurende de dag opdoen.

Er komt ook een flinke dosis fantasie bij kijken. Voor kinderen, tot en met ongeveer vijf jaar, is de scheiding en overgang van fantasiespel en de ‘echte’ wereld soms lastig. Zij kunnen de fantasiewereld ook als écht ervaren. 

Hoe geef je spelbegeleiding in de kleuterklas?

Alle kinderen hebben een activiteit gekozen bij het kiesbord. Je kijkt de groep even rond, iedereen gaat aan de slag. Na een snelle rondgang, neem je de rust om de spelende kinderen te observeren. Je maakt een keuze bij welke hoek jij spelbegeleiding gaat geven. Voordat je begint met de begeleiding, loop je nog een rondgang. Vervolgens ga je zitten bij de bouwhoek en maakt eerst even contact met de kinderen. Je vraagt wat zij maken, de andere kinderen in jouw klas weten dat zij jou even niet mogen storen…

De rol van de leerkracht bij spelbegeleiding.

Je hebt als leerkracht in eerste instantie een voorwaardelijke, organisatorische rol. Het creëren van een interessante spelomgeving. Een spelomgeving waar voldoende fysieke ruimte is en waar materialen zijn die de verbeelding prikkelen. Zorg voor voldoende tijd om te spelen, het duurt even voordat een spel opstart. Houd 45 minuten als minimale richtlijn aan.

En is er vrijheid voor de initiatieven van de kinderen? Neem hun ideeën mee bij de inrichting van het lokaal. Ook is het belangrijk dat de kinderen zich veilig voelen in jouw klas. Oefen de uitgestelde aandacht en zelfstandigheid van de kinderen. Zo creëer je de mogelijkheid om de begeleiding met meer aandacht te geven.

Eén van de belangrijkste taken voor een kleuterleerkracht  is het observeren van het spel van de kinderen. De observaties geven ontzettend veel informatie over hoe het met de kinderen gaat, welk spelniveau zij hebben en welke vaardigheden zij oefenen. De kennis over de spelontwikkeling kan jou helpen om conclusies te trekken uit de observaties.

Tijdens de spelbegeleiding is het belangrijk dat er een wederkerig contact is tussen jou en de kinderen die je wilt begeleiden. Door een accepterende houding aan te nemen, ontstaat een vertrouwelijke interactie.

Je bent betrokken tijdens de spelbegeleiding. Je toont oprechte interesse in het spel en wat er gebeurt. Laat aan de kinderen merken dat je het spel écht waardeert.

Zodra deze basis is gelegd kan je kiezen om het spel te verbreden of verdiepen. Dit doe je door iets aan het spel toe te voegen of andere kinderen bij het spel te betrekken. Hierbij kun je bijvoorbeeld ook denken aan auto’s in de bouwhoek of een vergiet aan de zandtafel toevoegen.

Het spelrepertoire kun je ook stimuleren als speelmaatje. In jouw rol doe je handelingen voor. Je laat zien wat een oma, caissière of klant allemaal kan doen. Vanuit jouw rol kun je ook ingaan op ideeën van kinderen of hen juist even denktijd geven.

Verwoord hardop wat je allemaal doet, verwoord jouw eigen denken en handelen. Je geeft op deze manier taal aan het spel. De kinderen kunnen het verhaal vervolgens overnemen en naspelen.

Als speelmaatje kun je een meer volgende rol aannemen, of juist een meer begeleidende rol. In een grote kring kun je een rol ook meer betekenis geven met demonstratiespel. Jij laat zien welk spel gespeeld kan worden in een hoek of met bepaald materiaal. Je geeft een spel- en taalaanbod in een toneelstukje.

Zodra je klaar bent met het toneelstuk, mogen de kinderen in kleine groepjes het toneelstuk naspelen. Wanneer de kinderen zelfstandig in de hoek spelen, hebben zij een idee welk spel er gespeeld kan worden. De kinderen hebben de gelegenheid om het spel zelf uit te proberen en jou te imiteren.

Een andere manier waarop je het spel kan stimuleren, is het gezamenlijk plannen van het verhaal en de rolverdeling. Bij deze vorm van begeleiding hebben de kinderen nog veel ruimte voor eigen ideeën.

Door met de kinderen in gesprek te gaan over de inhoud van het spel, blijven zij beter in hun rol en krijgt de rol meer inhoud. Jij neemt een coachende rol aan en hoeft zelf niet persé mee te spelen.

Het is belangrijk dat de kinderen zelf input geven aan het spel. Alle impulsen die jij doet, zijn bedoeld als aanzet. Let goed op de balans tussen jouw sturing en de inbreng van de kinderen zelf.

Even een moment om zelf na te denken…

Klaar met lezen? Voordat je meteen de praktijk induikt, nodig ik jou uit om na te denken over jouw persoonlijke visie. Hoe denk jij over de rol van spel en spelbegeleiding. En hoe kijkt jouw basisschool hiernaar? Zodra de visie helder is, zal het gemakkelijker worden om de spelbegeleiding te geven. 

Hoe kan ik de spelbegeleiding voorbereiden?

Nu weet je hoe de spelontwikkeling globaal verloopt, welke rol jij als spelbegeleider hebt en heb je nagedacht over jouw visie op spel. Tijd voor de volgende stap, tijd om te oefenen met spelbegeleiding! 

Zoals je kon lezen zijn er een aantal voorwaardelijke elementen die eerst op orde moeten zijn. Kijk eens kritisch naar de omgeving waar de kinderen spelen en sta stil bij de volgende vragen:

  • Is er voldoende speelruimte?
  • Zijn er aantrekkelijke spelmaterialen aanwezig?
  • Voelen de kinderen zich veilig? 
  • Heb ik voldoende tijd ingeroosterd voor vrij spelen?
  • Kan de groep +/- 10 minuten zelfstandig spelen en werken?

Heb je op al deze vragen ‘ja’ kunnen antwoorden? Mooi! Dan heb je tijd om het spel gericht te observeren. Deze observaties vormen het begin van een begeleidingsmoment.

Wat zie je een kind doen? Bij welk spelniveau past dat? Verschilt het spel in de verschillende hoeken? Speelt hij of zij liever alleen of juist samen? Wat zegt hij of zij? Probeer bijvoorbeeld eens te ontdekken welke kinderen symbolisch spel laten zien in de huishoek of tijdens het buitenspelen. 

Na een aantal observatiemomenten kun je gaan nadenken over het spelniveau. Wat valt jou op? Zeker als je nog weinig ervaring hebt met kleuters, raad ik je aan om een kind 3 tot 4 keer gericht te observeren.

Het liefst binnen verschillende spelsituaties en met verschillende materialen. Kies bijvoorbeeld een observatiemoment bij de zandtafel, de bouwhoek en de huishoek. Elk materiaal roept een ander spelniveau op.

Zodra je voor jezelf helder hebt hoe het kind speelt, kun je een keuze maken voor jouw handelen. Is er spelbegeleiding nodig? Op welke manier ga je een impuls geven? Dit format kan jou ondersteunen om de spelbegeleiding vorm te geven.

Verder lezen

  • Aalsvoort, G.M. van der, Kwakkel-Scheffer, J.J.C., & Vries, A.K. de (2006). Puur plezier; spelsuggesties voor de basisschool. Leuven: Acco.
  • Amelsvoort, H. van. (2005). Spelend ontwikkelen. Gorcum: Gorcum B.V.
  • Fournier, M. (2012). Meer zorg voor kleuters via spelbegeleiding. Tielt: Lannoo nv.
  • Hellendoorn, J. (1998). Speciaal spel voor speciale kinderen. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
  • Grift, B. van de. (2010). Kinderkoppie, hoe een rijke leeromgeving bijdraagt aan de ontwikkeling van het kinderbrein. Amsterdam: Uitgeverij SWP
  • Janssen-Vos, F. (2004). Spel en ontwikkeling: spelen en leren in de onderbouw. Assen: Koninklijke van Gorcum.
  • Kohnstamm, R. (2009). Kleine ontwikkelingspsychologie 1: het jonge kind. Houten: Bohn Stafleu van Laghum.
  • Pont, S. (2012). Mensenkinderen! De zeventien belangrijkste ontwikkelingsgebieden van kinderen tussen nul en vier jaar. Hilversum: Bert Bakker
  • Sheridan, M.D. (2011). Play in early childhood: from birth to six years. New York: Routledge Taylor & Francis Group. (3e druk).

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.